Bij de 26e zondag (door het jaar A)

Laat onder u de gezindheid heersen die Christus Jezus had. De apostel Paulus spoorde de eerste christenen aan om te leven zoals Jezus. Mensen die zich aansloten bij de Jezusbeweging moesten dus eerst en vooral leren leven naar het voorbeeld van Jezus. Tot op vandaag geen gemakkelijke opdracht! Die figuur van Jezus daagt ons telkens weer uit om onszelf te verbeteren, onze kleine kantjes bij te werken. Jezus is als het ware de mens bij uitstek, zo’n mens waarvan je zegt: mocht iedereen zijn zoals Hij, de wereld zou er stukken beter uit zien. En gelukkig, als je eerlijk bent en wat rondom je kijkt, zijn er heel wat mensen die Jezus’ idealen in de praktijk brengen. Maar jammer genoeg zien we dat niet altijd, omdat we eerder geneigd zijn de gebreken bij anderen te zien, hun onoprechtheid, hun ziekelijke jaloersheid, hun eigendunk,…

Jezus leert ons naar onszelf kijken, wie ben ik? Met zijn vergelijkingen en parabels zet Hij ons aan het denken. Wie ben ik in de parabel van de goede herder? Het verloren gelopen schaap, de huurling, de wolf, of de goede herder? Wie ben ik in de parabel van de goede vader? De weggelopen jongste zoon, de teruggekeerde jongste zoon, de oudste zoon, of de vader? Wie ben ik in de vergelijking uit het evangelie van vandaag? Ben ik diegene die te vlug ja zegt en het beloofde niet doet? Of ben ik diegene die neen denkt, maar spijt krijgt en pas in een tweede moment ingaat op de uitnodiging?

Deze parabels houden ons een spiegel voor, in die spiegel zien we enkel onszelf en niet de ander die wij verdenken of viseren. Als wij onze naam als christen willen waarmaken, moeten we telkens weer leren uit onze fouten en kleine kantjes. Wij durven het aan als christenen telkens weer te lezen uit het boek dat ons veroordeelt. Niet om er ons klein en machteloos bij te voelen maar om eruit te leren en ten volle te begrijpen wie Jezus voor ons kan zijn, de weg ten leven.

De apostel Paulus schrijft in zijn prachtige tekst over de gezindheid die Jezus had. Hij was aan God gelijk, maar deed daar afstand van, Hij werd gelijk aan een mens. In alle nederigheid is Hij de weg van mensen gegaan, tot over het bittere eind, door God is Hij verrezen en is zo voor ons kracht en bron van eeuwig leven. Die gezindheid moeten wij ons dus eigen maken, de nederigheid, en de volstrekte gehoorzaamheid aan het gegeven woord, het ja-woord. We mogen het als een soort van riddereed elke dag vernieuwen: “Ik wil als christen leven en richt mijn handelen naar de levensweg van Christus, Jezus is mijn weg, waarheid en bron van leven.” Daaraan trouw zijn blijft onze opdracht.