Bij de 19e zondag door het jaar B

Op dit schilderij van de hand van de Duitse priester-schilder Sieger Köder (°1925 +2015) zien we de profeet Elia afgebeeld die het niet meer ziet zitten, die de woestijn is ingelopen om er te sterven. Het was hem allemaal teveel geworden, de profeet kon het leven niet meer aan. Elia zit met zijn hoofd in zijn handen, zoals hij later zijn handen voor zijn ogen zal doen bij de Godsontmoeting op de berg Horeb. God was niet in storm, bliksem en aardbeving, maar in het zachte suizen van een briesje… in de stilte…

Sieger Köder schildert een bloeiende bremstruik als verwijzing naar hoop, naar vonken van leven temidden de woestijn, misschien ook verwijzend naar de brandende braamstruik. God laat zijn profeet niet in de steek, een engel gebiedt de profeet om te eten en te drinken want raven brachten brood en zelfs een kruik met water. Raven die nochtans zinnebeeld zijn voor de dood betekenen hier in dit verhaal nieuw leven, nieuwe levenskracht.

Het levensbrood schenkt kracht voor de weg die nog gegaan moet worden. De profeet Elia weet door het eten van dit brood en door het drinken van het water dat God hem niet wil laten sterven in de woestijn en dat zijn taak er nog niet op zit. De broden links op het schilderij verwijzen naar de koeken op gloeiende stenen gebakken, het brood rechts op het schilderij verwijst naar het brood van de eucharistie.

Jezus wil voor ons het levensbrood zijn in goede en kwade dagen. Het levensbrood dat Jezus ons schenkt geeft ons innerlijke kracht, het geeft ons moed om onze levensweg verder te zetten. Het brood van de eucharistie is een teken van Jezus’ nabijheid, Hij laat ons niet in de steek, Hij komt tot ons, telkens weer. Jezus is de reisgenoot die ons nooit meer verlaat.

Schilderij: Elia / 1990 / Sieger Köder

Tot slot een passend stukje poëzie van Huub Oosterhuis:

Op mijn levenslange reizen – twijfel donker achtervolgt mij, liefde blind holt voor mij uit – zing ik op steeds andere wijzen over wie ik niet kan spreken, zing ik: ‘Ooit mijn hart te breken, ooit mijn hart voor jou te breken’.

Opgereisd, pas halverwege, met een keel kapot gezongen, met een hart voor wie gebroken, kruip ik onder dorenstruiken, druk mijn ogen in de aarde, smeek dat nu het eind zal komen, smeek de dood, dat hij zal komen.

Spoorloos trok voorbij de twijfel waar ik lag. De liefde keerde, zag mij, bracht mij drank en spijze, deed mij opstaan uit de dood. Nog een leven zal ik reizen, nog een leven zal ik reizen. Nooit meer zonder reisgenoot.