Bij de 12e zondag (door het jaar A)

Bij de uitbraak van de coronapandemie en de lockdown half maart viel het alledaagse leven stil. We kwamen in een andere wereld, in een andere tijd terecht. De drukte verdween, de agenda-activiteiten werden één voor één geschrapt. Stille, lege straten. Geen witte strepen meer in de blauwe lucht, het leek haast of zelfs de kleuren intenser werden in de ontluikende natuur. Het water werd helder, het zingen van de vogels was mooier dan tevoren.

En dat alles terwijl in ziekenhuizen en woonzorgcentra de hel losbarstte. En dat terwijl het dodenaantal groeide per dag aan een hoog tempo. Ontelbare families werden rechtstreeks of onrechtstreeks geconfronteerd met lijden, verlies en rouw.

Het werd ons allen duidelijk hoe zwak de mens staat tegenover de natuur. Een onzichtbaar elementje, een virusje houdt de wereld in een wurggreep. Hoe kunnen wij als gelovigen een antwoord bieden op al die ellende? Hoe valt de liefde van God te rijmen met al het dagelijkse leed, wereldwijd? Maaike Cafmeyer vertelde in een aflevering van De Columbus tegen Wim Lybaert dat zij haar geloof vaarwel heeft gezegd toen ze bij de zinvraag kwam over God en het lijden.

Gelovigen worden door niet-gelovigen beschouwd als naïef of wereldvreemd, weg van de realiteit. Maar wie het bijbelverhaal leest, moet toegeven dat gelovigen even hard worstelen met die vraag over God en het lijden. Lees het boek Job, lees de genezingsverhalen in het evangelie. De bijbelse boodschap maakt heel duidelijk dat lijden niet behoort tot de wereld die God voor ogen had. De schepping voor de zondeval en de wereld na de eindstrijd ademen van vrede en rust, daar is enkel liefde en goedheid, daar is geen sprake van lijden, ziekte, haat, geweld en dood. Jezus is niet gevlucht voor het lijden, hij heeft het doorstaan en zijn grote vertrouwen in Gods liefde heeft hem na zijn kruisdood niet beschaamd. Met Pasen is hij verrezen en leeft in een liefde waaraan geen einde meer komt.

In het evangelie van deze zondag horen we Jezus zeggen dat wij meer waard zijn dan een zwerm mussen. Wij zijn kostbaar in de ogen van God. Hij laat ons niet vallen. Hij draagt ons, zelfs over de grens van dit leven heen. Geloven staat gelijk aan vertrouwen. Gelovigen zijn mensen van het vertrouwen, zij bewaren de hoop.

In maart las ik het boek ‘Als de liefde alles wordt’. Het bevat de vertaling door dr. Gerda Valkenborgh van de twee geschriften over de visioenen die Julian of Norwich zag tijdens haar hevige ziekte in het jaar 1373. De titel van het boek zegt alles over de inhoud ervan, over het grote vertrouwen van de godzoekende dat alles liefde is en liefde alles is.

Julian (°1342 +1416) overleefde op dertigjarige leeftijd een hevige vorm van het syndroom van Guillian-Barré. Zij leefde in een woelige tijd van boerenopstanden, godsdienstvervolgingen en de pest. Zij heeft “the Black Death” tot viermaal toe zien voorbijkomen (in 1348, 1361, 1369 en 1387). Als kluizenares leefde zij naar binnen toe, maar hield contact via haar open raam met de buitenwereld. Zo was ze een luisterend oor en gaf ze wijze raad. Zij mag dan wel hemelse dingen gezien hebben, ze kende de harde dagelijkse realiteit maar al te goed. Julian leefde in groot vertrouwen. In het dertiende visioen is het Jezus zelf die tot haar zegt: “Maar alles komt goed. Het komt allemaal weer goed. Alles, maar ook alles, wat het ook mag zijn, zal goed komen.” (Long text: Openbaringen, dertiende visioen, zevenentwintigste hoofdstuk)

In de natuur komen mensen tot rust. Wij kunnen heel veel leren door aandachtig te kijken naar Gods schepping. Ook Jezus deed niets anders dan verwijzen naar de natuur.

Tot slot deze bezinningstekst naar een liedtekst van Willem Vermandere.

Wat we kunnen leren van de vogels is hun eenvoud en tevredenheid.
Ze hebben niet veel nodig om te leven; geen kleren, geen huis,
enkel wat vliegjes, rupsen en wat zaad
en takjes en pluimpjes voor hun nestje.
Wat we kunnen leren van de vogels
is hun grenzeloze vrijheid, de hemel behoort hen toe.
Met hun vleugels vliegen ze overal heen
van boom tot boom, van de haag tot op het dak.
Ze zijn zonder zorgen, zingen kwetterend en fluitend hun vreugde uit.
Wij kunnen veel leren van de vogels,
want wij zijn zo verslaafd en verwend
door zovele zaken die ons schandelijk bedriegen.
De vogels zijn met weinig tevreden
en dat is nodig, anders kan je nooit vliegen.
We leren van de vogels deze aarde af en toe los te laten
om de ongekende vrijheid te ontdekken
van een hemel die zoveel ruimer is.
Van de vogels leren we de vleugels van onze ziel te gebruiken
om zo af en toe weg te vliegen.

Via deze link kan je het lied beluisteren.