Bij de 2e zondag in de veertigdagentijd jaar C

De veertigdagentijd of woestijntijd is niet alleen een periode van vasten en bidden, maar ook van delen, van Broederlijk Delen, van verbondenheid met medemensen wereldwijd.

Elke veertigdagentijd wordt onze blik via Broederlijk Delen gericht op een land waar de bevolking het moeilijk heeft om te overleven. Dit jaar gaat het over Guatemala en de boeren die er opkomen voor hun recht op landbouwgrond, zodat ze kunnen leven van wat de aarde voortbrengt. De Maya’s zijn de oorspronkelijke bevolking van Guatemala. Deze indianenstam leven net zoals alle indianen heel sterk verbonden met de natuur. Voor hen is de natuur heilig. Uit moeder aarde komt alle leven, en naar haar keert alles terug. De schepping is er om te eren, te koesteren. Het goddelijke is voor hen overal aanwezig, in de planten, in de dieren, in de natuurelementen, in de verbondenheid van hun volk. Aarde, water, vuur en lucht zijn heilig, want zonder deze elementen is er geen leven mogelijk. Aan de Pachamama, Moeder Aarde, worden offers gebracht uit dankbaarheid en als smeekbede voor een goede oogst.

Dit element uit hun spiritualiteit klinkt misschien niet nieuw voor ons, onze godsdienst leert toch ook dat God overal is. Maar er is een groot verschil tussen het weten dat God overal is en het voelen dat God werkelijk overal aanwezig is. Van de inheemse volkeren kunnen we leren dit besef in de praktijk om te zetten, want wij zijn het een beetje verleerd.

Neem nu Abram (onze latere aartsvader Abraham), die zag in de talrijke sterren de belofte van God dat er uit hem een groot volk zou ontstaan. De bevestiging van Gods belofte zag hij gebeuren in het vuur dat doorheen de geofferde dieren liep. Abrams God was tastbaar aanwezig. Neem nu Jezus op de berg Tabor, zo sterk verbonden met zijn God dat Hij ervan straalde, dat de leerlingen daar wilden blijven, zo goed was het er.

Kunnen wij terug geloven dat God ons nabij is over berg en dal, in onze topmomenten, maar ook in onze dieptepunten. Dat God werkelijk overal aanwezig is en dat we daar dankbaar mogen voor zijn.

De Wipalavlaggen of –sjaals zijn symbolen van de verbondenheid tussen de indiaanse volkeren. Wipala, in het Aymara, betekent: in de lucht wapperen. Elke kleur heeft zijn eigen betekenis, maar is evenwaardig aan de andere.

rood = aarde, mensen

oranje = gemeenschap, cultuur

geel = energie, kracht

wit = tijd

groen = natuur

blauw = hemel, het oneindige

paars = bestuur, politiek, organisatie

Deze kleuren, elementen moeten steeds in evenwicht zijn en samen gezien worden in sterke verbondenheid om een gezonde en goede samenleving uit te bouwen…