Bij de tweede zondag van de advent (jaar A)

Persoonlijk vind ik het één van de mooiste visioenen van Jesaja dat we mochten beluisteren tijdens de eerste lezing. Het spreekt het meest tot de verbeelding, je ziet het zo voor je: een wolf die neerligt bij een lammetje, een panter bij een bokje, kalf en leeuw die naast elkaar gras eten… Ja, waarlijk advent is dromen. Een visioen op z’n best. Maar, beste mensen, we weten dat het niet kan. Een levende kerststal kunnen we maken, bijna zonder probleem, een ander paar mouwen is dit visioen van Jesaja uit te beelden met deze beesten. In een mum van tijd is ons lam opgepeuzeld, het bokje verscheurd en de leeuw zal meer eten dan enkel gras.

En kun je het die beesten kwalijk nemen? De wolf, de panter en de leeuw hebben nu eenmaal scherpe tanden, een lammetje is nu eenmaal hulpeloos en bovendien mals van vlees. Het visioen sprak ook van een slang en een kleine jongen, maar ik denk dat bezorgde ouders hun kind niet laten spelen met giftige slangen.

Het is niet mijn bedoeling Jesaja’s visioen in het belachelijke te trekken, dat is maar al te gemakkelijk, toch mogen we er ook geen naïef vertelseltje van maken. Het is enerzijds waar dat de wetten van de natuur anders zijn en aan de andere kant weten we heel goed wat Jesaja ons wil duidelijk maken: een toekomst van vrede, anders dan wat we nu al soms bereiken. Profeten zijn mensen met een stem in de woestijn, ze spreken toekomstgericht in visioenen, ze spreken met gewaagde woorden, bijna niet te geloven. Maar toch blijven we die visioenen beluisteren, we raken ze niet beu, want ook al weten we dat we er nog niet aan toe zijn, we willen er wel aan werken, we blijven er in geloven. Visioenen van profeten roepen ons wakker. Want stel nu eens dat de beesten elkaar zouden verdragen, dat de grootste vijanden het goed met elkaar zouden stellen, de wolf met het lam, de panter met het bokje, het kalf en de leeuw, de koe en de beer, het kind en de slang, de breeddenkende en de fundamentalist, de autochtoon en allochtoon, de bekenden en de vreemdelingen, de arme en de rijke, man en vrouw, je kan mijn rijtje gerust aanvullen. Stel dat het ooit waar wordt dat alles en iedereen in vrede leeft, zou dat geen hemel zijn op aarde, hervinden we dan niet het verloren paradijs?

Als dat waar zou worden voor de dierenwereld, dan zou het ook tussen mensen zo moeten gaan, dan zouden de mensen die nu wolven zijn voor elkaar, dan zouden de mensen die nu vechten met elkaar als leeuwen, het vechten staken, de agressie en prestatiedrang achter zich laten, dan zouden de hulpeloze mensen, onschuldig als lammeren niet meer worden opgejaagd en uitgemoord, dan zouden mensen sluw als slangen de zuiverheid weer leren van het kinderhart. Als dat waar wordt is er vrijheid en vrede, liefde genoeg voor iedereen.

Profeten roepen met een stem in de woestijn, de enkele toehoorders die hun boodschap werkelijk ter harte nemen die doen nu al schijnbaar onmogelijke dingen, die werken hier en nu aan die toekomstige wereld.

Ik eindig met een tekst die wonderlijk goed past bij het visioen van Jesaja: Wolf en lam (Huub Oosterhuis)