Bij de 33e zondag door het jaar B

Het einde van de wereld…
Het is al zo vaak voorspeld, zo vaak ook gevreesd.
Er gaan geen honderd jaar voorbij
of men denkt dat de wereld zal vergaan,
maar de wereld blijft bestaan.
Tegenwoordig steekt het weer de kop op
met alle natuurrampen, met de wereldwijde pandemie,
met de klimaatcrisis, de oorlogen, de vluchtelingenstromen.
Dit moet toch het einde van de wereld zijn?

Van gelovigen wordt verwacht dat ze blijven vertrouwen,
dat ze standhouden in de moeilijkste situaties.
Gelovigen moeten weerbare mensen zijn.
Het geloof, het vertrouwen zelf is een grote kracht
om de moed niet te verliezen
en te blijven rechtstaan bij storm en ontij.

In haar dagboeken schrijft Etty Hillesum
over de verschrikking van de Tweede Wereldoorlog,
maar ook over het mooie in de natuur dat daarmee in schril contrast staat
en haar troost en hoop schenkt.
In haar dagboeken schrijft ze heel veel over kleurrijke bloemen,
bijvoorbeeld op 24 september 1942:
Mijn linkerhand rust onder het schrijven op het kleine,
opengeslagen bijbeltje, ik heb hoofdpijn en buikpijn
en op de bodem van mijn hart
liggen die zonnige zomerdagen op de hei en dat gele lupinenveld,
dat zich uitstrekte tot aan de ontluizingsbarak.

Of ook midden juni 1943:
‘s Avonds zien we hoe achter het prikkeldraad
de zon in de paarse lupinen valt.

Etty was 29 jaar toen ze in Auschwitz werd vermoord
omdat ze een Joodse was.

Gelovigen kennen de wereld en de harde realiteit,
maar verliezen nooit de keuze om het goede te blijven zien
en de hoop te bewaren.

Gelovigen zeggen steeds weer opnieuw ‘en toch’ of ‘dan nog’.
Zoals Oosterhuis naar Psalm 13 schreef:

Dan nog, dan nog, klamp ik mij vast aan jou.
Op ongenade of genade. Ik zal red mij, red mij roepen
of zoiets als heb mij lief!

Gelovigen zijn weerbare mensen.
Zo schreef de profeet Habakuk, 2700 jaar geleden,
over de onverwoestbare hoop dat God telkens redding zal brengen,
dat de vreemde overheersers met hun tirannie en mateloze geweld
niet zullen overwinnen, maar wel de rechtvaardigen
die de hoop niet opgeven en trouw blijven aan Gods liefde.

Habakuk schrijft als een dichter deze mooie zinnen
(Habakuk 3:16-19 NBV21)

Ik hoorde dit alles en ik beefde vanbinnen,
ik vernam het en mijn lippen trilden.
Mijn botten werden aangevreten,
ik stond te trillen op mijn benen,
wachtend op de dag van onheil,
die komt voor het volk dat ons aanviel.
Al zal de vijgenboom niet bloeien,
al zal de wijnstok niets voortbrengen,
al zal de oogst van de olijfboom tegenvallen,
al zal er geen koren op de akkers staan,
al zal er geen schaap meer in de kooien zijn
en geen rund meer binnen de omheining –
toch zal ik juichen voor de HEER,
jubelen voor de God die mij redt.
God, de HEER, is mijn kracht,
Hij maakt mijn voeten snel als hinden,
Hij laat mij over toppen van bergen gaan.

Laten ook wij weerbare gelovigen blijven.