Bij de 22e zondag (door het jaar A)

De profeet Jeremia haalde weinig vreugde uit het profeet-zijn. De vertolker van Gods woord werd niet begrepen, zijn toehoorders stonden hem meermaals naar het leven. Jeremia klaagt daarover. Vandaar het woord jeremiëren, klagen, jammeren. Het boek Klaagliederen in de bijbel wordt toegeschreven aan de profeet Jeremia.

Jeremia legt de ondergang van Juda niet bij God, maar bij het volk en de politieke en religieuze leiders. Hij spreekt beschuldigend, kondigt onheil aan, roept op tot inkeer door het afwijzen van afgoderij en sociaal onrecht. Hij is ook een prediker van hoop die het volk de terugkeer naar het land belooft en een vernieuwd verbond met God, een nieuw hart en een nieuwe geest voor de gelovigen. Jeremia voelt de liefde voor God als een laaiend vuur in zijn hart, als de inwendige strijd om trouw te blijven aan zijn roeping.

Zo spreekt de profeet Jeremia:

Als ik denk: Ik wil hem niet meer noemen,
niet meer spreken in zijn naam,
dan laait er in mijn hart een vuur op,
dan brandt het in mijn gebeente.
Ik doe moeite om het in bedwang te houden,
maar ik kan het niet.

Een laaiend vuur in het hart, brandend in het gebeente… Sterke taal, treffende beeldspraak. Passionele liefde is vurige liefde, een liefde die ook het lijden kan doorstaan. Het woord lijden is in het Latijn passio. Jezus heeft het over zo’n liefde, een passionele liefde die ons de kracht geeft om ons leven te verliezen en het zo te winnen.

De liefde van God is als een vuur in ons hart, het laait op in onze strijd tegen het onrecht, het verdrijft het duister om ons heen en verlicht onze weg in het voetspoor van Jezus. Niet alleen Jeremia, maar iedereen die zich geroepen voelt herkent dat innerlijke vuur, die laaiende vlam van liefde, het laait op in het hart en brandt in het gebeente. Wie vurig overtuigd is van iets, geeft niet vlug op. Gods liefde is een laaiend vuur in het diepste van onszelf.

We eindigen met een stukje poëzie passend bij de woorden van Jeremia: ‘Dan laait er in mijn hart een vuur op…’

Veel te laat
(Huub Oosterhuis naar Augustinus’ ‘Belijdenissen’ X,27)

Veel te laat heb ik jou liefgekregen
schoonheid wat ben je oud wat ben je nieuw
veel te laat heb ik jou liefgekregen.

Binnen in mij was je, ik was buiten
en ik zocht jou als een ziende blinde
buiten mij, en uitgestort als water
liep ik van jou weg en liep verloren
tussen zoveel schoonheid die niet jij is.

Toen heb jij geroepen en geschreeuwd,
door mijn doofheid ben jij heen gebroken.
Oogverblindend ben jij opgedaagd
om mijn blindheid op de vlucht te jagen.
Geuren deed jij en ik haalde adem,
nog snak ik naar adem en naar jou.

Proeven deed ik jou en sindsdien dorst ik,
honger ik naar jou. Mij, lichtgeraakte,
heb jij doen ontbranden. En nu brand ik
lichterlaaie naar jou toe, om vrede.